Eigenlijk gingen zei op reis met een koffer vol lasten, die de volgende generatie mag uitpakken. Dat zei voorzitter Clement Bouwens van de Stichting Herdenking Gevallenen en Slachtoffers in Nederlands-Indië zaterdag bij het Indiëmonument in het Broersepark. Een dag voor de nationale herdenking vond daar traditiegetrouw de plaatselijke versie plaats. Er werd een bijna eindeloze rij bloemenkransen en -stukken gelegd, namens overheden en organisaties.

Onder meer natuurlijk van door de burgemeester Tjapko Poppens van de gemeente Amstelveen. Zijn collega van Den Haag, Jan van Zanen, een van de voorgangers van Poppens, was er ook.

Zon

Hij constateerde met genoegen dat de herdenking deze keer zonovergoten was. Van Zanen is erelid van de jaarlijks voor de herdenking zorgende organisatie.

De coronamaatregelen zorgden er voor dat de stoelen van de honderden bezoekers anderhalve meter uit elkaar stonden, wat in dit geval tot gevolg had dat twee velden rond het monument bijna vol waren.

Ver weg

De burgemeester had zijn  toespraak voornamelijk gebaseerd op een serie over slachtoffers in NRC. Het einde van de tweede wereldoorlog en de Japanse kampen is 76 jaar geleden, zei Bouwens. “Ver weg in tijd en afstand.” Maar zowel hij als Poppens en de andere sprekers vonden dat wat er met de gevallenen uit Nederlands-Indië is gebeurd tijdens WO2 en de daarop volgende Bersiaptijd nooit mag worden vergeten, al praatten degen die eerste slachtoffers er vrijwel niet over. Dat was ook een reden dat volgende generaties de koffers van het moesten uitpakken.

Kil

Degenen die destijds werden uitgewezen naar Nederland, na de onafhankelijkheid van Indonesië, kregen hier een kille ontvangst. Ook daaraan herinnerde Poppens. Want in Nederland had men de Duitse bezetting en de hongerwinter achter de rug, die volgens de meerderheid van de bevolking en de overheid veel erger was geweest dan wat zich in Indonesië aan martelingen en doden had afgespeeld. Degenen die uit Nederlands-Indië kwamen, werden eigenlijk als tweederangs burgers beschouwd, zei Poppens. “Nu hebben we de laatste kans om uit de eerste hand te verhalen te horen en voor ons om goed daarnaar te luisteren. Want de verhalen moeten worden doorverteld.”

Johan

Andries Schram, de zoon van gevangene in de Japanse kampen Johan Schram, doet dat als gastdocent in het onderwijs. Hij noemde wat er is gebeurd een proces dat tot vandaag voortduurt. Zijn vader, door de Japanners gepakt op een vluchtschip naar Australië, pleegde euthanasie wegens kanker. Letterlijk zei hij tegen zijn huisarts: “De Jappen hebben mij niet op de knieën gekregen en nu de kanker ook niet.”

Heel zijn leven had Johan weinig gesproken. “Het verhaal van Johan”, heet een lesboekje dat nu op schollen de ronde doet en gebaseerd is op informatie die Schram via allerlei wegen los kreeg. Het is ook in het Japans vertaald. Degenen die in de kampen in Nagasaki zaten, hebben de atoomaanval daar op 9 augustus 1945 meegemaakt. Op de plaatsen van de kampen staan nu door Japanners geëntameerde monumenten.

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.