“Ze kunnen geen persberichten schrijven”, vertrouwde mij ooit een vorige baas van de gemeentelijke communicatieafdeling, door wethouder Floor Gordon ‘uitstekend’ genoemd, toe. Eerlijk gezegd verbaasde dat mij, want zij zitten op dezelfde school om het vak te leren. Vroeger was dat een ander verhaal. Toen was er alleen het Persinstituut, waar je in de weekends op mocht als je al in de journalistiek werkte tot tevredenheid van de werkgever, bij wie je drie jaar lang ‘leerling’ was. Maar in die tijd praatte men al over een ‘journalistenschool’, waarop iedereen die er voor koos ‘communicatie’ kon leren.
Een van de eerste dingen die een beetje journalist leert zich nooit rechtstreeks in berichtgeving tot de lezer te richten.
Advertorial
Dat is anders met reclame. De zogenaamde afdeling ‘communicatie’ houdt zich voornamelijk daarmee bezig en denkt soms met een advertentietekst bezig te zijn terwijl het om informatie aan de media gaat. Geen zichzelf respecterend medium zal dat klakkeloos overnemen, maar lastig is het wel. Daar manifesteert zich het verschil tussen een redactie en een reclamebureau. Bijvoorbeeld in het gebruik van het woordje ‘wij’. Dat kan in een advertentie, maar is in informatie aan de pers infantiel. Wie zij ‘wij’ dan? De redactie? Toegegeven: ik stam nog uit de tijd dat advertenties niet mochten lijken op de berichtgeving door de redactie. Maar daar heeft men de ‘advertorial’ voor uitgevonden. Dat is een door de adverteerder betaalde artikelruimte, waarin het ‘product’ dat hij aanbiedt alleen wordt geprezen. Daar lijken de zogenaamde persberichten van de gemeente veel op.
Voorlichting
Toch wil ik de gemeentelijke voorlichters wel verdedigen. Ooit bestond de hele afdeling uit Tiny Visser, nu uit 26 man. Vergeef mij dan ik ‘man’ zeg, want de meeste werknemers zijn vrouwen. Tegenover die uitbreiding staat een louter uit financiële nood geboren inkrimping van de redacties van media, die de gemeente met een Mediafonds probeert op te heffen onder het motto dat nu eenmaal de journalistiek de democratie dient. Een deel van het team bestaat uit ‘woordvoerders’, om de politiek verantwoordelijken zoveel mogelijk voor verkeerde uitspraken te behoeden, hoewel zij er in de gemeenteraad alleen voorstaan. Dat brengt mij opnieuw bij mijn familie. Een minister kwam in Boedapest en de opdrachtgevers van mijn zoon wilden via hem iets weten over een heikel onderwerp, waarover de ‘woordvoerder’ vooraf had gezegd dat daarover niets gevraagd mocht worden, waaraan mijn zoon zich, naar de klant verwijzend, niet hield. Vervolgens ontspon zich het volgende gesprek met de RVD, die de woordvoerster had meegestuurd, over het radiogesprek met de minister.
RVD: ‘Wat hebben wij nu afgesproken?’
Hij: ‘Wij hebben niets afgesproken. Ik heb een decreet gekregen, waar ik mij niet aan hou.’
RVD: ‘Dat heet woordvoerder.’
Hij: ‘Ik heb je nog nooit in de Kamer gezien.’
Zolang communicatieadviseurs regeren wordt de echte communicatie volgens mij niet gediend.








































